Landschap Gelderse Vallei | cultuurlandschap


De regio Gelderse Vallei ligt in het zogenaamde dekzandlandschap van zandruggen en beken, tussen de hogere stuwwallen Veluwe en Utrechtse Heuvelrug. Voorheen lagen hier veengebieden en broekbossen. Thans kent de regio intensieve landbouw en een rationeel ingericht landschap. De Grebbelinie is een opvallende historische structuur binnen deze regio. [ meer hierover lezen ] De Leughte is nummer (1) op de kaart.


Bron: Wikimedia (aangepast).

Het landschap

Het landschap van de Gelderse Vallei is een afwisselend, voornamelijk agrarisch gebied met een kleinschalig coulisselandschap dat wordt gekenmerkt door een mix van landbouwgrond, beken, bossen, lanen en houtwallen. Het is gelegen tussen de stuwwallen van de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug, met een laag, vochtig deel in het midden en drogere delen op de flanken. Oorspronkelijk was het een nat en moerassig veengebied.


Geologische oorsprong

De Gelderse Vallei is een laaggelegen gebied tussen de Veluwse stuwwallen in het oosten en de Utrechtse Heuvelrug in het westen. De geologische geschiedenis van dit landschap gaat terug tot de ijstijden van het Pleistoceen, toen enorme natuurkrachten het reliëf van Midden-Nederland vormden. Tijdens de voorlaatste ijstijd, het Saalien (ongeveer 150.000 tot 200.000 jaar geleden), schoof een dikke laag landijs vanuit Scandinavië zuidwaarts over Nederland. Het ijs bereikte de huidige Veluwe en Utrechtse Heuvelrug en duwde daar zand, grind en klei uit de ondergrond omhoog tot hoge ruggen — de zogenaamde stuwwallen. Tussen deze twee opgestuwde zones bleef een brede laagte achter: dat is wat we nu de Gelderse Vallei noemen. Toen het ijs zich later terugtrok, bleef een landschap over met heuvels, smeltwaterdalen en plassen. Het smeltwater stroomde langs de randen van de stuwwallen en sleet geulen uit, waarin later beekjes zoals de Barneveldse Beek en de Lunterse Beek ontstonden. In de koude, droge periode die volgde, voerde de wind grote hoeveelheden zand aan, waardoor delen van de Vallei met dekzand werden bedekt.

In het Holoceen, de warme periode na de ijstijd (vanaf ongeveer 10.000 jaar geleden), veranderde het landschap verder. De lagere delen van de Vallei vulden zich met veen, klei en humus, doordat het water er slecht weg kon. De hogere gronden bleven droger en werden begroeid met bos en later heide. De mens begon er in de prehistorie landbouw te bedrijven, waarbij boskap en begrazing ervoor zorgden dat het zand opnieuw kon verstuiven — dit leidde tot de vorming van de zandverstuivingen die nog altijd kenmerkend zijn voor de randen van de Vallei. De Gelderse Vallei is dus in essentie een oude gletsjerdalvlakte, ontstaan tussen twee stuwwallen en in de loop van duizenden jaren verder gevormd door smeltwater, wind en menselijke invloed. Het is een geologisch en landschappelijk overgangsgebied, waar natte veen- en beekdalen samenkomen met droge zandgronden en stuifzanden. Die geologische diversiteit verklaart waarom de Vallei vandaag zo’n afwisselend en karakteristiek landschap heeft.


Foto's: Allard Bijlsma


Text auf Deutsch

Text in English